Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tigde ineenen 'n magere zwarte rat te voorschijn, vlug vooruit op de kleine, rappe pooten, plonsde neer in 'n bijt, zwart vierkant van water in 't weeke ijs gesneden, zwom er even met snelle zwenkingen heen en weer, beklom dan weer 't ijs, snelde verder, kleintjes, troosteloos-eenzaam in de wijde triestigheid van z'n omgeving.

't Kind keek 'm na, tot z'n vlug, zwart lichaampje in 't donkere verderop verzwond. En ze dacht even: « Arm beest.... wat gaat-ie nou beginnen .... zeker koud en hongerig . . . .» Ze liet dan voor al dat droeve en duistere 't gordijntje langzaam neervallen, keerde zich de lichte, warme kamer toe en dan dacht ze verder niet meer aan die rat.

Geur van de soep, die zacht stond te kook-borreien op 't fornuis, drong haar warm-prikkelend in de neus en op de nu gedekte tafel glansden zacht de witte borden. De blank-gepoetste tinnen lepels en vorken erbij, en naast vaders bord, ter rechterzij, de beide gevlochten brooden, waaroverheen gespreid was 'n wit doekje met 'n fijn randje van kant en 'n Hebreeuwsche spreuk erop gewerkt in bleek-rood-verwasschen letters, 't Kind liet even haar oogen zachtkoozend dit alles beglijden, en ging dan stil-neuriend door de kamer loopen, met 'n blij gevoel, dat zacht in en om haar hoofd deinde. Dan kwam ze weer de keuken ingeloopen , waar de moeder nog bedrijvigde. 't Zusje stond daar ook al weer, behaaglijk in de van etens-geurtjes door-

Sluiten