Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenen de dubbele deuren, klapten naar weerskanten open ....

De kinderen snelden, op roep van bovenmeester met z'n grijze baardje ieder naar z'n eigen ingang, wipten, klompen snel uitgeschopt en in-de-hand-mee de schoongeboende stoeptreedjes op en de koele, schemerige gangen in.

Traag slofte 't jongetje achter hen aan. In z'n handjes hield-ie z'n mooie griffels in houten doos en 't dunne geschiedenis-leesboekje met dat vreeselijke woord binnen-in. En z'n hartje was zwaar.

Als hij dan, even later, in z'n bank zat, had-ie plotseling 't vreemde gevoel, of-ie nu voorgoed in de

school zou moeten blijven of 't nooit meer twaalf

uur zou worden en hij nooit meer de speelplaats en 't bruine paardje in de wei zou terugzien.

Meester tikte met z'n stokje op de voorste bank en kuchte. «Handen mooi» beval hij. 't Was 't jongetje, of hij nog geweldiger er uitzag dan anders en gedurig keek naar hem. Nu goed oppassen, nam hij zich voor, en hij zette z'n schrale lichaampje rechtop in de bank, legde z'n gezicht in 'n plooi van opgewekte belangstelling.

Meester zei immers altijd dat-ie zoo suf keek — en hij wilde nu niets doen, dat den mageren man vóór de klas onbehaaglijk kon stemmen.

Als ze nu allen stil zaten, handen gevouwen tegen den bankrand, oogen in frissche vroeg-morgen aan-

Sluiten