Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

durig vol van krielend volk, dat zwaaizwierde vaardig langs wit-zeilen koek-en-zoopie tentjes met den kleurigen tooi van lustige driekleurvlaggetjes.

Theo was 'n goed rijder en hij dee 't graag, 't Lenig uitslaan van z'n krachtige, jonge beenen, met koen vooruitgeworpen borst, 't voortbewegen zonder merkbare inspanning vond hij 'n heerlijke beweging, aantrekkelijker dan veel andere sport, dan 't suf en machinaal fietstrappen, dan roeien zelfs ....

Je voélde je er krachtig in worden en wat prikkelde niet de stille worstel tegen in schijn flauwen, maar op den duur vermoeienden wind.

En hij was dan ook 's morgens gewoonlijk een der eersten.

Dan liep hij, als in 't warm-donkere huis achter de gesloten gordijnen de anderen nog sliepen, soms voor zonsopgang de straat al af, tusschen de deftige, gesloten huizen, naar de hoofdtocht, stil-blij neuriend in zich-zelf, omdat hij zich zoo jong-krachtig voelde, warm levend in de grijze vroeg-morgen-kou, de schaatsen slingerend in de hand, dat de houten zolen zachtjes klepperden tegeneen.

De tocht lag dan nog, leeg en grauw, triest-eenzaam tusschen de sombere landen, waarop de donkerte nog neerlag van nauw-geleden winternacht en de dorpen rondomme dommelden. Maar Theo wist, dat gauw de zon komen en 't al verfeestelijken zou. 't Eerst kwamen de vale, koude, kleurvegen in 't Oosten, als doorge-

Sluiten