Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sleten plekken in somberen voorhang, die 't rijke, pralende verborgen houdt.... Maar spoedig werd 't dan levender van heldere rozenroode tinten, kleur, die heengloeide over de bevrozen plassen, met 't in plotsen, straffen greep gevangen gras, dat in sprietjes en bosjes benauwd boven de witte korst uitpiepte. Naarmate de zonnekomst naderde, kwamen die rozige gloeiplekken de tocht dichterbij, tot ook daar op 't breede, somber-grijze ijsvlak roode afschampen gloorden. En eindelijk dan kwam de zon-zelf en haar eerste zuivere stralen doorguldden 't wijkend rood, gaven ineens alles rondomme 'n dagblij aspect, feest van licht, waarin plots nieuwgeboren waren torens van dorpen rondomme tegen bleek-blauwe lucht, waaraan de laatste sterren wegschuchterden.

Zoo'n ochtend was 't, dat Theo Juultje ontmoet had. Ze was er nog niet, toen hij aankwam, maar als hij, na 'n heel eind de tocht op, weer terugreed, zag hij ze aan 't begin van den baan. Daar was nattigbruin stroo gestrooid voor 't opbinden en enkele banken stonden er tusschen. Baanvegers hadden er 'n planken bruggetje geklungeld, tusschen houten palen aan weerszijden, druilige lappen flets-groezel vlaggedoek daaraan.

Theo, uit de verte, zag 't meisje daar krabbelen met onbeholpen armgezwaai, telkens bukkend naar de aanhoudend de voeten ontglissende schaatsen en verbaasd vroeg hij zich af, wie dat nu wezen kon. Nader

Sluiten