Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Even rusten» zei Juultje, zacht-hijgend.

Ze gingen dan terug met voorzichtig omzwenken en Theo hielp haar naar 'n bank. Daar zaten ze dan naast elkaar.

De breede tocht, nu blinkend in den zonneschijn, was wemelend-vol geraakt. Tot in de verte, tusschen de popperig-klein schijnende preuts-witte koek-en-zoopietentjes was 't 'n feestelijk gekriel van glij-zwevende figuurtjes, scherp-zwart tegen 't blikkerende ijs. Lustig wapperden de miniatuur-vlaggetjes hun blije roodwit-en-blauw-kleurtjes tegen de strakke, diepe lucht. Op de zijtochten was 't niet zóó vol en uit de verte gezien leek 't of er, omdat de oeverbermen nogal hoog waren, poppetjes-zonder-beenen snel voortgleden, wir-war-door-elkaar.

Juultje vond dat 'n grappig gelijken en ze zei 't Theo. Samen lachten ze erom.

Zoo kwamen ze nu langzaam-aan wat vrijer te praten en Juultje vertelde, op Theo's vragen, van haar leven thuis, dat erg stilletjes vergleed, van haar ouders, van oude Keetje, die haar eenige vertrouweling was. Met vader praatte ze weinig en nóóit intiem, hij was oud al en na hun weggaan uit de stad, waar ze vroeger gewoond hadden, zeer stil geworden en in zichzelf gekeerd. 't Fijne daarvan had Juultje nooit geweten. Dan was 'r haar moeder, maar die altijd ziekelijk, eenzaam levend in stille sfeer van altijd-donker-gehouden kamer. En Jaap en Louis, allebei in Delft, die ze alleen zag

Sluiten