Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de vacanties. Zij-zelf zou naar de burgerschool zijn gegaan, twee jaar terug, maar toen was haar zuster gestorven en had moeder niemand meer. Natuurlijk was ze toen thuisgehouden, kreeg nu wat muziek- en taallessen daar. Ze waren geen van allen sterk, zij-zelf óók niet, hadden dat van moeder, die ziekelijk was geweest, zoolang Juultje herinnering had.

En Theo vergeleek haar leven met 't zijne en er gloeide schaamte in 'm, schaamte om zich-zelf, om z'n school- en clubgenooten, dat ze zoomaar, wreedkoud, Juultje buitengesloten hielden. Hij wilde haar niet vragen in hun clubje te komen, waar ze misschien, op zijn aandringen, geduld zou worden, waar ze 't nooit prettig hebben zou.

En wellicht begeerde ze dat niet eens. O, wat was ze, vond hij, veel liever dan de coquet-nuffige meisjes, die hij kende, tegenover wie hij altijd zich klein voelde, bleu en verlegen met z'n figuur, al waren ze ook soms, als Juultje, jonger dan hij. Zij, 't meisje met 'r onder 't levendig babbelen trillende kroeshaartjes onder 't mutsje uit, zij zag naar 'm öp met 'r leuke, bruine tintelkijkers, nu zoo blij onder de fijne, donkere brauwen. En 'n jonge ridderlijkheid werd in 'm wakker, dat meisje te beschermen. Naast haar voelde hij zich man, vol stoeren moed, 'n held, tot alles in staat, zooals hij er vroeger, in z'n sprookjesboeken, ontmoet en bewonderd had.

Dan ineenen zag hij, opkijkend, Frans Mensingh

Sluiten