Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Nou, Kee, breng me nu maar.... 't zal wel zoowat tijd worden.»

Wat vlugger doorstapten ze nu de winkelstraat tot 't eind, waren dan in 'n volksbuurtje van kleine huisjes met zonnige tuintjes vol vooze, hooggeschoten balsemien en fluweelen, zwaar-geurende muurbloemen, waar bontgeveerde kippen luid omkakelden den haan, die met z'n fijn-geboogde staartveeren liep te schitteren in de zon .... Kinderen joegen er achter 'n opgeschrikte, vale kat, deëen van de ongeplaveide wegkanten opwolken 't droge straatstof.

Vreemd-rustig lag dan ineens 't zwaar-belommerde, rein-gehouden kerkplein, bevloerd met kleine, gele steentjes.

« Nou ....» zei Kee , zorgzaam even verschikkend Juultjes lichtroode ceintuurstrik . . .. «dan ga 'k maar, hè .... denk je deran .... om half zeven hier terug.... dag Juul.... dag kind, wandel maar prettig, hoor —>

Juultje, haar gezichtje stralend onder grooten, witten hoed, knikte de heengaande vrouw toe. Daarna keerde ze zich om en ging op 'n wrak bankje zitten, dat onder een forsche, zachtbladige kastanje stond.

Daar wachtte ze altijd, 't Was heel stil op dit zijpleintje van de groote kerk .... en 't kindergeschreeuw in 't zonnig en stoffig volksbuurtje leek, zwakjes, uit 'n andere en gansch-vreemde wereld te komen, 't Plein rond de kerk was als 'n afgesloten wereldje, wat somber om den diep-koelen schaduw overal, maar rein en veilig.

Sluiten