Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pietje suste weer: . . .. «Stil nou maar Henderiek, Ma meent 't zoo kwaad niet.... Nou, Rachel, ga jij nou ook maar weer zitte, dan ka-me verlote....»

Bedeesd Racheltje beklom haar taboeretje, met de oogen besmaald door Hendriek, die vies-mondtrekkend, demonstratief rokken bijeenhield, ofschoon er twee taboerets tusschen waren.

Op de tafel, helder vlekkend 't stukje blootgemaakt zeildoek, lagen de papiertjes, lappenrommel rondom opgestuwd tot proppige dijkjes.

Gerret zocht er een uit de hoop en 't dikke timmermanspotlood, egaal vettig tot glimmenden punt, of 't nooit werd toegespitst, log vochtend op z'n natte dronkemanstong, schreef hij, zwaar-indrukkend op 't tafelblad, « ruggekusse».

Van allemaal was de aandacht nu zéér gespannen en de schrale vlasstaartjes aan grove, bijeen-gebukte koppen , vettig glansden in rossig lamplicht. Dik hing de hitte, doorwalmd van de broeistankjes onder de tafel uit, waar donker gewriemel was van muf-warme kousevoeten , die de schoenen- en klompenhoop bijwijlen rommelig beroerden.

Pietje vouwde de papiertjes op en dee-ze husselend in een kluwe-tobbetje van bruin hout met tinnen randen.

Alle meissies hadden een lootje, dat maakte twaalf, tante Mietje een, en Pietje zelf ook een. Dat had ze zich allang voorgenomen, won zij het, dan was 't voor Joden-Racheltje.

Sluiten