Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schapmand, rukte hoed en mantel van den kapstok,

nam den pollepel; zonder groet liep ze de deur

uit... . en buiten in de stille kou wegklonken haar driftig-snelle stappen.

En zoodra de anderen voelden, dat ze nou, heüsch, niet zou weeromkomen, begonnen ze, ineens vreedzaam, praatjes te maken over haar, over haar bazen, haar valschheid, haar gulzigheid .... «nou strakkies nog met de koekkrummels.»

Pietje, verbluft van 't succes, zich weer baas voelend, juffrouwde gestreng:

„Enne .... nou is-et meteen uit met de Jode-stoele

en de Jodekomme .... mensche ben mensche Jood

öf Christe .... eender voor ons' lieve Heer . ...»

En in de vredestemming van gemeenschappelijken kwaadspraak over verdwenen Ma, gul gaven ze toe .... Wèl hadden de Joden ons-Heer gekruisigd, maar dat was al zoo lang gelejen .... en Racheltje en Hendriek waren er toch — nèt als de juffrouw d'r man strakkies gezeid had — niet bij geweest.

Dus zouden zij en andere Jodenmeissies voortaan op de stoelen bij de tafel zitten en uit mooie kommetjes drinken.

Tante Mietje, bedenkelijk-afkeurend hoofdschuddend om de nieuwigheid .... maar voelend dat er niks meer an te doen was, slikte achter 't potkacheltje haar protest in.

Sluiten