Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overeind, reëele angst nu in 't gezicht en in de gespannen voor zich-uit starende oogen.

Het was de voorslag van de klok geweest en die, met nog eenmaal 'n vermoeiden ophaal vooraf, begon nu te slaan, lijzig-langzaam, z'n krakerige slagen zonder klank van öp-gebruikt uurwerk. Het meisje in bed, vreemd wit, tegen 't duister-verdoezelde bedsteebeschot, voelde één voor één die slagen neertikken in haar pijnlijk-wakker hoofd, en ze telde ze, onbewust, 't Waren er twaalf.

Dan werd ze ineenen heel bang in de stilte, die na 't klokgeluid weer terugviel.... en 'n rilling overkroop haar, kil, dee haar beenen en voeten onder 't warme dek verstarren, gaf haar 'n krampig-koud gevoel tusschen de schouderbladen, 't Vreemde van dezen nacht, 't vreemde van den voorbijen paasch-avond leefde weer in haar op, en ze wilde de tafel, die zooveel wonderlijke dingen droeg, niet meer zien. Anders stond daar immers, werd ze 's nachts wakker, op 't rood-en-zwart wollen kleedje 't koffie-blad voor den anderen ochtend klaar, en dat gaf haar dan blije gedachten aan vroeg-morgen-zon, aan 't lustig bellen van den melkboer, 't gekletter van z'n koperen emmers. Dit vreemde, zoo ineenen te middernacht gezien, gaf haar de sensatie, dat ze in haar slaap buiten haar gewone omgeving was gebracht.... en 't beklemde haar, maakte haar bang .... en de handen dee ze voor 't gezicht.

Sluiten