Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier en daar een vroolijkend bloemenruikertje, onhandig samengeknoet, lief geschenkje van een kind aan juffrouw of meester.

Waren ze bij de school, dan gingen ze bedaard met z'n drieën op 't trottoir staan, leunend tegen den muur en kijkend naar de voorbijrinkelende trems en de zwaar rollende vrachtkarren. Grootmoeder, lacherig, boog zich dan wel naar ze over en vroeg, of ze goed stonden, prettig keken, wees ze nu en dan 'n bijzonder hoogen wagen en andere dingen van morgendrukte, met innige handdrukjes.

Saartje en Markie speelden nooit met de andere kinderen. Grootmoeder bleef bij ze, tot de bel ging. Dan handig lanceerde ze de twee kleine Jodenkindertjes door het luidruchtig aangedring van de heele bende door naar binnen, tot ze in de mufvochte, half duistere kinderwriemelende gang stonden.

En iederen morgen weer, 't hoofd wat op zij, met lieverig-vleiend lachje vroeg ze, oogknippend naar boven, den surveilleerenden onderwijzer: Mag et menèèr,» met een dikke Joodsche *gs en die eigenaardige beleefdheidstoon, die zelfs Joodjes-van-de-straat iets zoo bijzonder hoffelijks geeft. Want eigenlijk — en dat wist Grootmoedertje wel — mocht er geen van de ouders of groote broers mee naar boven, dat gaf op de nauwe, gepropte gangen te veel geweld en gedrang.

Boven moesten de kinderen zich zelf of elkaar maar

Sluiten