Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de vacantie ging Markie naar huis. Maar prettig vond hij 't daar niet. De lucht, sterk en zuiver, bedwelmde hem en vermoeide zijn in 't triestige, altijd zurende en gistige Jode-straatje, gewende longetjes. Z'n gezonde broertjes en zusjes waren hem te druk, baasden over 't schuchtere kereltje en 't gelukkigst was hij als de trein 'm ten slotte terugbracht naar Amsterdam, waar aan 't station Grootmoeder en Saartje hem wachtten.

In de klasse was 't heel stil. Hoofdjes gebogen bekrasten de kleuters hun leien met de cijfertjes van pas-geleerde sommetjes. Onhandig deden de kleine vingertjes met de lange grijze griffels, moeizaam zwoegend, de griffels zwaar trekkend in stroef geknoers soms overslaand met een gril geluidje. Langzaam, de leien even overziend in 1t voortloopen bewoog zich de juffrouw, héél jong meisje nog, tusschen de bankenrijen, soms droomerig even voor zich uitstarend. Dan dacht ze aan den grooten, blonden jongen, die haar om half twaalf zou komen afhalen.

Zon guldde haar door 't raam in de over 't boord krieuwende nekhaartjes, maakte daar goudig gewirwar van.

Van buiten kwamen harde geluiden binnen, die 't lesgeven in de klassen aan de straat tot een zware corvee maakten, 't trembelgerinkelink hield niet op, den heelen langen ochtend niet, zeurig schreide naar

Sluiten