Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de geurige damp welde er-uit. Want t ging tegen den winter en dan werden de boomen, voor het tuintje van ieder net huisje één, heelemaal gesnoeid en tot kale, leelijke proppen bijgeknipt.

Ze hadden maanden volop gehad om hun leefstorm en zomer-vroolijkheid uit te vieren en moesten nu stemmig terug, als bedaarde menschen, die kalmpjes den winter gaan doormaken, in volgenden zomer dan

weer vol van lustigen fut.

Tuinlui, roode, glundere gezichten, gladgeschoren en een vrindelijk-breeden mond met stomp-pijpje daarin, zaten hoog in de boomen tusschen 't volrijp geblaart en de fijne, vroolijke geuren maakten hen ook jonk-

jolig.

Telkens helder klonk 't metalen klikklak van hun scherpe scharen, wreed als werd er leven afgesneden en dan, loom-onwillig, ritsel-gleed er zoo'n groote tak als een nog levende arm, naar beneden met z'n vracht van zijtakken en blad, neerploffend op den grond.

De boomen, die al de beurt hadden gehad, eng, rondom bijgeknipt, stonden als vreemd gevlochten, gedrongen proppen op hun stam, enkele blaren er aan.

En ze lieten den diep-blauwen hemel door, wat een vreemd gezicht gaf voor de overburen, die den ganschen zomer in de koel-groene schemering, met wat luchtekleur er tusschen spelend, hadden gekeken.

Een oude tuinbaas, wadend met z'n klompen door 't dikgespreide groen, bewoog zich kleintjes onder de

Sluiten