Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een eind verder geluidloos, onvindbaar terechtkomend. En de tuinlui wisten zelf niet of ze de heele kluit zouden wegjagen, die ze belette in rustig voortwerken, of dat ze dien lust — waren ze niet ook jong en jongens geweest? — zouden laten vieren voor ééns.

'n Klein, tenger meisje, van een jaar of acht, met een heel mooi gezichtje, waarin goudige bruine oogen, en met veel loskrullig, bruin haar stond op een kleinen

afstand van de joelende bende.

Ze was niet op klompen, maar ze droeg al oude, verlapte rijgschoenen, plomp aan de klein-kindervoeten en daarboven, vreemde rijkdom bij 't grof-armelijk schoeisel, een kort, net jurkje van fijn moussehen met kleurige bloemetjes. Warm in de zon guldde het sprinaende, loskrullige haar, welig overstroomend het nekje tot halverwege den rug van het witte jurkje, met de fijntjes erop tippende bloemfiguurtjes.

Ze deed heel niet luidruchtig, eerder stilletjes, als iemand, die zich liefst ongezien houdt, maar in haar aretitf toekijken was de hevige lust om mee te doen, meeste joelen, te zwaaien als de anderen met de takken, dat de bladeren floepten door de lucht, van den tak gerist en even nog fladderend als kleine, al vermoeide vogeltjes. Want haar beweeglijk gezichtje, met het zenuwig, hartstochtlijk mondje was vol lust

Maar schuchtertjes stond ze, niet durvend.... De aroote, sterke jongens en meisjes van de school hadden haar al zoo dikwijls geslagen en ruw weggejaagd, zoo

Sluiten