Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikwijls haar gebruikt als 't speelgoed, waaraan ze hun kinder-wreedheid en groeiende kracht konden koelen.

Ze was 't eenige Jodenmeisje op school, haar gezin 't eenige van 't dorp. En van dat ze er — enkele maanden maar — nu waren, werd ze 't leven ondraaglijk gemaakt door bitse vijandigheid van de dorpelingen. Nóóit hadden er Joden op het dorp gewoond en toen zij er nu met het groote gezin waren gekomen, om er een manufacturen-zaakje te beginnen, hadden de boeren, al vóór de opening, gevloekt en gescholden in de herberg op die smerige Joden, die niks op d'r dorp te maken hadden. Bleven ze maar liever weg met hun vuile negotie!.... 't Was om al dadelijk den moed erbij te verliezen. Maar vader, die altijd hoopte, nooit het hoofd neerlei, had gezegd, dat ze maar 't winkelkastje heel mooi zouden maken en op den openingsavond met veel licht. Dan móesten ze toch vanzelf wel komen. Mee-hopend hadden ze allemaal dapper geholpen. Oude vader, die al zooveel getobd en getrokken had, toch lustig gebleven en opfleurend bij ieder klein kansje van slagen, had den dag zelf achter 't nog geheimzinnigneergelaten gordijn den grooten avond zitten voorbereiden. Bloemetjes en een paar grove planten hadden ze zorgzaam op 't grijs-blauw bekleedsel van de uitstalkast geschikt, tusschen zwierig-geplooide roodzijden zakdoeken, boerenjongens-petten met glinstering van ankers en goudbies en andere, kleinere klungels. Saar had de petten en hoeden afgestoft, de jongenspakjes

Sluiten