Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

flikkerend de oogen, even opzij naar 't raam en, den ouden man vlak in 't gezicht, haastig-flapte de jongen het er meteen uit:

'n 'n stuiver boezeroenen en hoevéél of-ie

d'r dan kreeg ....

Woede-bevend, stamelend, stond de Jood achter de toonbank, wilde antwoorden .... uitvaren .... Maar dikkert was den winkel al uit, protsig stappend tusschen den hoop, met gezicht van:

«Nou, hoe lever ik 'm dat....?»

Dat zelfde spelletje werd nog veel herhaald. Rauw, met grove boerenstemmen, krijschten ze den winkel in

om 'n cent leere-lappen om muizevallen — glossend

ook op spek en worst Vuile woorden van slungelige

jonge kerels, die lollig de breede meiden kietelden, keilden daartusschen, en geen oogenblik zweeg 't vinnige belletje. Maar succes hadden ze niet meer. Stil bijeen achter den winkel bleef 't Joden-gezin en zelfs Joop kwam niet meer te voorschijn om de deur te sluiten.

't Heele dorp had er een lol-avond van. Toen ze eindelijk afzakten, de herbergen in, om de pret en de drift met borrels te verslaan, was er niets verkocht. De rood-zijden zakdoeken, elegant van plooi tusschen bloemetjes en planten, en de jongenspakjes, stijf op houten staken, met petten bungelend aan de punt, doode poppen zonder kop of beenen, stonden onaangeroerd in de schemerige winkelkast. Want ook de lampen hadden ze niet aangestoken. Die stonden klaar

Sluiten