Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«'k Wil toch ook spelen huilde ze, «'k doe

hun toch ook niks.»

Tuinbaasje toen, of hij niets hoorde, draaide zich om en ging weg.

Tegen den avond kwam Saartje thuis. Ze had zich wat-knap verdedigd. Met de kleine, stevig-genepen vuistjes had ze in 't wilde erop gebeukt, tot ze er genoeg van hadden, en ze haar, schreiend en hijgend van nerveusen drift, lieten gaan, met wat nagejouw van «smous» en «vuile moêr».

Maar naar huis dadelijk durfde ze niet. Deerlijk gescheurd was 't jurkje, en 't gezicht, waarover zweetvochtig krullen sliertten, vol vuil en kleine krabbeltjes van nagels en vinnige tak-eindjes. Naar buiten het dorp dwaalde zij, den eenzamen weg af, dien zij en Joop zoo dikwijls zochten, als ze zich, in hun te vroeg-rijpe en al te trotsch-gevoelige zieltjes dood-ongelukkig en heftig gegriefd voelden. Joop was héél knap, altijd de knapste van de klas geweest toen hij school-ging, en nóg las hij veel, wist alles van de beesten en de bloemen, die ze zagen op de wandeling. Onder 't uren ver voortdwalen, vertelde hij daar gretig-luisterend Saartje van. Kwamen ze dan een boerenjongen tegen, dan maakten ze zich maar klein tusschen 't gras, lusteloos voor vechten en krakeel. Soms was t, dat de jongen, lui en onverschillig, ze wel zag, maar te vadsig om kwaad te doen, effen-weg en door gewoonte als vanzelf, alleen maar even schimpschold:

Sluiten