Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuw sloop ze binnen en dadelijk was ze bij moeder, die voor 't zijraam zat en naar buiten staarde. Breiwerk rustte in haar schoot, ze had 't neergelegd, bij't bidden van de mannen, in eerbied.

En haar donkere, mooi gevormde, maar ontglansde oogen snel schichtigden naar den vader, die, de boeken op 't rek zettend, daarbij hier en daar een los blaadje verschikkend, Saar niet had zien binnenkomen. Van het laatkomen en 't bemorste jurkje begreep ze dadelijk en tobbend, hoe dat nu weer goed te praten tegen vader, die leelijk uitvallen kon den laatsten tijd, schoof ze, bezorgd hoofdschuddend, stilletjes het kind naast zich, aan den raamkant.

Daar stond ze wèl nauw, maar heerlijk veilig, en zóó voelend, lei ze, poezig vleiend, haar jong-frisch kopje tegen magere moeder aan.

Zoo lief stond ze daar, 't goudige haar diep schaduwend over de ronde wangetjes, dat vader, haar opeens in 't oog krijgende, niet boos was en alleen grapjes maakte over haar listig binnensluipen. Hij zette haar op z'n knie en, 't bemorst jurkje ziende, gaf hij haar grappend wat zachte tikken.

Maar Bram, met z'n hoogejongensstem, reclameerde de avondboterham, vertellend luidruchtig, hoe hij rammelde van den honger. In de schemering van 't achterwinkelsch kamertje schikten ze voor 't brood-eten nu allemaal om de tafel, nauwtjes gedrongen de vijf kinderen, van welke Saar op één na de jongste en Joop

Sluiten