Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met z'n zacht-sympathiek jongensgezicht de oudste. Kibbelend en duwend om een plaatsje, vulden de kleintjes 't schemerkamertje met hun rumoer, dat de moeder, door een paar sussende woorden, bedaren weer deed.

Maar wilde Bram , jongen van veertien, loerde grappigbrutaal met clown-gebaar in den broodbak en vroeg, half-verlegen, omdat hij wel wist, dat 't niet kon: «of er geen kaas was....»

Vaders vriendelijke gezicht verplooide tot grommigheid en bits beet hij naar Bram:

«Nee, er is geen kaas, de boel gaat er nogal naar.»

Zacht erbij zei Joop, iets verwijtend:

« D'r is vandaag niks verkocht, Bram—» Maar vader wendde zich plotseling, kort, als herinnerend, naar Saar:

«En wat hebben ze jou weer gedaan, hoe was jij weer zoo laat van school, vanmiddag ?» Saartje, met haperig stemmetje, bang voor nu nog straf, misschien wel klappen als vader zóó kwaad keek, vertelde van wat gebeurd was bij 't takken-spel. Waarom gunden ze haar nooit eens wat? Zooveel takken waren er en geen-één had ze er mogen hebben. Was dat eerlijk, dat moest vader maar zelf zeggen! En ook waren ze haar aangevlogen, zij had zich alleen verdedigd . . . .»

«Maar je weet toch,» zachtmoedig coupeerde moeder 't verhaal, een driftbui voorziend en die zoo trachtend te weren, «je weet toch, dat vader 't niet hebben wil. Dan moet je maar doorloopen. ...»

Sluiten