Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Saar, zich diep-verongelijkt voelend, weer terug: «Moet je maar kénnen, als ze in een kring om je heen staan en je treiteren ... . »

«Wat deed je erbij?» snauwde de vader, boos, geprikkeld door de tegenspraak. Al die vechtpartijen óók nog namen 'm 't beetje klanten af, die nog bij hém kwamen, omdat hij goedkoop was en allerlei dingen in voorraad hield, die de boerenwinkeltjes misten. Vanmorgen had de huisbaas hem nog aangesproken. Geen kwaje baas, wat onverschillig. Zat hier om te potten, een mooie kous te mesten. Güntzel heette-die, 't was een bakker uit Westfalen, die een raar Hollandsch eruit flapte en daarom door de boeren op den hak werd genomen. Maar z'n brood vonden ze lekker en allemaal kochten ze bij hem. Zoo had de Mof er alle eigen-bakkertjes uitgewerkt met slimme reclame-vindseltjes van paaschbrood en wat toe voor de kinderen. Hij potte mooi, dit huisje waj van hem en zijn eigen huis.

Maar den laatsten tijd kreeg hij last met de boeren. Hij lag onder één deken met den Jood, zeiden ze. Had hij niet verhuurd? Zou zonder hèm de Jodenboel ooit in 't dorp zijn gekomen? Hij moest blij zijn, dat ze hèm met vrede lieten, hem begunstigden. Wat had hij, Mof, dien Jodenpan erin te halen?

En Güntzel, hoewel vredig, niets tegen 't gezin hebbend, zich zelfs, ook vreemdeling, tot hen aangetrokken voelend, werd onder 't gevit en de aanmer-

i4

Sluiten