Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Jood, in z'n schunnige jas van vreemd model, at haastig, maar beschaafd bewegend z'n handen. Die waren mager-blank, blauw-pezig, met een groef op de pink, waar een ring had gezeten.

Vaster klonk zijn stem en klaarder al waren z'n oogen, als hij, afwijzend meer eten, 't bord van zich afschoof en te vertellen begon.

Eerst van den dag, dien hij achter den rug had, praatte hij, in z'n Duitsch-Russisch jargon, met hier en daar opgevangen en uit beleefdheid gesproken Hollandsche woorden, 't Was zwerven geweest uren ver, van dorp tot dorp, langs rietpiassen en door vlakke, drabbige polders, van 's morgens vroeg af.

Zoo als vandaag had hij 't nog nooit gehad. De wegen waren zwaar geweest en de afstanden groot.... en hij werd oud, oud en moe. Hij had al zooveel geloopen. Van z'n dorp in Rusland af... . Maar dat zou hij straks vertellen.... Eerst van vandaag. Wat hij niet uit te drukken wist gebaarden vaag z'n handen en soms in smartelijk herinneren, toorn-bibberde z n stem. De vader, peins-neerziend op den grond, gebogen luisterend, de handen op de knieën, knikte soms, weemoedig, iets afwezig glimlachende.

De Jood vertelde hoe de avond was vallende, zonder dat hij gegeten, gedronken, een uur gerust had. Want al maar verder had hij voortgejakkerd, in angst van vóór den nacht geen Joodsch gezin te vinden, en den heiligen Jomtof-nacht te moeten slapen

Sluiten