Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

flink honorarium — 't eenige moment waaruit zijn semitische handelsnatuur nog éven opleeft — en ik noem het Diamantstad.

O ! Eleazar, had 't gedaan! Er zou 'n Diamantstad wellicht gebouwd zijn zènder Eleazar, en voor è.1 de ruimte die hij nu noodig heeft om te praten, te verweemoeden, te schelden, zou dan plaats zijn geweest voor wérkelijke menschen. Misschien zou hij wèl gebeeld hebben de „Club" Casino en andere „Clubs", de fabrieken en kantoren, de ateliers en klovers, de scharrelaars en woekeraars, kortom 't heele groote diamantwerkersleven, een wérkelijke Diamantstad.

Dat zou Eleazar, zooals hij nü is, losgegroeid van den schepper toch, hebben gedaan, wijl hij dezelfde begaafdheid heeft van zijn maker.

En die Eleazar zou in zijn weemoedsgevoel gedenken dat nog altijd de schim van Rembrandt ronddwaalt door de Amsterdamsche jodenbuurt, dat de lichttooverij en de mystieke pracht van diens goud koloriet, zijn volk ééns toch heeft omlicht, als 'n wonder, in goddelijken gloed.

En nu is juist regel na regel aan te toonen dat Eleazar, zooals hij door 't boek gaat, geen mèrg heeft, geen levend schepsel en geen strijder is. Het proces van zijn levensgroei is niet 't verzet

Sluiten