Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Nederlandache staatsschuld.

De jaarlijksche noodige uitgaven worden aanmerkelijk verzwaard door de Staatsschuld, die nog ruim elf honderd millioen gulden bedraagt. Een klein gedeelte dier schuld wordt jaarlijks afgedaan

of geamortiseerd.

Aan aflossing en renten wordt jaarlijks voor ongeveer vier en dertig millioen gulden op de hegrooting uitgetrokken.

De munt.

Al wat in betrekking staat tot den handel en in verband daarmede tot het begrip van ruiling, prijs en geld, behoort eigenaardig tehuis op eene andere plaats.

Hier willen wij alleen in herinnering brengen, dat geld in onze tijden eene volstrekt onmisbare zaak is. Daar niemand zich zelf alles verschaffen kan wat hij behoeft, moet hij het van anderen koopen. Voorheen geschiedde dit door zaken tegen andere zaken te ruilen, maar in de nieuwere tijden is het ruilen veranderd in koopen, dat wil zeggen in het zich verschaffen van de noodige zaken door middel van geld, een ruilmiddel, waarvan de circulatie of omloop door den Staat in het publiek belang wordt bevorderd en gemakkelijk gemaakt.

Wat geld is.

Onder geld verstaat men stukken metaal, in hoofdzaak fijn metaal, zilver en goud, en daarom van een duurzame waarde, of waaraan althans in het belang van het verkeer zonder bezwaar eene zoodanige waarde kan worden toegekend.

Deze stukken zijn van een bepaald gewicht en ook op eene bepaalde wijze samengesteld. Zij dragen eenige merken en sommige de beeltenis van het hoofd van den Staat, krachtens de bepaling der grondwet.

Bestuur der munt.

Het opperbestuur berust bij den minister van financiën, terwijl

aan het hoofd der te Utrecht gevestigde inrichting een muntmeester

G

Sluiten