Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 2.

Wij erkennen, dat de Nederlandsche natie is geboren uit den worstelstrijd voor Gods Woord en de Vrijheid des Vaderlands en dat daardoor haar nationaal karakter is bepaald.

Als Protestantsche natie hebben wij derhalve te strijden tegen alles wat zou kunnen leiden tot verkorting van gewetensvrijheid of tot opheffing van de rechtsgelijkheid der verschillende kerken. Geen kerk behoort van haar verkregen rechten te worden beroofd. Maar ook behoort niemand op eenigerlei wijze te worden bevoordeeld om zijne persoonlijke overtuiging of belijdenis, opdat onze Heer Jezus Christus niet om uiterlijke eer of voordeel worde gediend en de Overheid aldus hare roeping om mede te werken tot vordering van het koninkrijk Gods kunne vervullen.

Art. 3.

Het constitutioneel Koningschap, opgedragen aan het Huis van Oranje-Nassau, is de vrucht van de leidingen Gods met ons volk en de natuurlijke ontwikkeling van 's Lands Historie en daarom terecht in onze grondwet bevestigd.

Akt. 4.

De Souverein is als zoodanig alleen voor den rechterstoel van God verantwoordelijk. Evenzeer als allen, die onder den Koning met eenige regeertaak zijn belast, is de souverein gebonden aan de instellingen en bepalingen, die door hem zeiven met gemeen overleg der Staten-Generaal in het algemeen welzijn en ter bewaring en verdediging van de volksrechten en volks vrij heden worden vastgesteld.

Akt. 5.

De Staten-Generaal zijn gehouden ten krachtigste de rechten en ^ rijheden des volks te verdedigen en het landsbestuur te controleeren. Zij hebben zich te onthouden van stelselmatige bevoordeeling van eenig deel der natie boven een ander deel Hoe nauw de band tusschen de leden der Staten-generaal en hunne kiezers ook zijn moge, moet toch bij elke stemming het belang en het recht van allen, niet dat van de kiezers, den doorslag geven.

Sluiten