Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDINHOUD

van het wetsontwerp, tot regeling der verhouding tusschen den Staat en de Nederlandsche Bank

Door de regeering is bij de Staten-Generaal een wetsontwerp ingediend, hetwelk de strekking heeft om op nieuw aan de Nederlandsche bank te Amsterdam, na het einde van den loopenden termijn, octrooi te verleenen voor de uitgifte van bankbiljetten.

Dat octrooi zal worden verlengd voor den tijd van vijftien jaren; welke termijn bij niet opzegging van het octrooi telkens voor één jaar wordt verlengd, terwijl minstens twee jaar na de opzegging de bank haar bedrijf als circulatiebank (dus wat de uitgifte van bankbiljetten betreft) niet zal mogen voortzetten.

Volgens de tegenwoordig nog geldende regeling is de Nederlandsche bank verplicht zich kosteloos te belasten met het kassierschap van 's Rijks kas en tevens met het kassierschap van de Rijkspostspaarbank en met de bewaring van alle geldswaarden der spaarbank en van de door deze in pand genomen waarden.

Volgens het ontwerp wordt deze verplichting uitgebreid tot alle instellingen, bij de wet of bij koninklijk besluit in het leven geroepen, waaromtrent de Minister van Financiën het wenschelijk acht, dat het kassierschap aan de bank wordt opgedragen ; welke bepaling in de eerste plaats gemaakt is voor de Rijksverzekeringsbank.

Verder bestaat het voornemen om de muntbiljetten in te trekken en aan de bank de bevoegdheid te geven om bankbiljetten van tien gulden uit te geven.

Het tegenwoordige papieren geld van vijftig gulden zal dus volgens deze regeling geheel vervallen.

Sluiten