Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overblijvende ontvangen de aandeelhouders een derde en de Staat twee derde.

Het bankpapier geen wettig betaalmiddel.

Dat het bankpapier geen wettig betaalmiddel is, met andere woorden niemand verplicht kan worden om het in betaling te nemen (met de muntbiljetten is het juist andersom), is eenvoudig een gevolg hiervan, dat de bank een particuliere instelling is. Een bezwaar is hierin echter niet te vinden, daar de Staat er voor zorgt dat men het door de bank uitgegeven papier veilig in betaling kan aannemen, en dat er zekerheid bestaat dat men het steeds tegen standaardgeld of muntbiljetten, dus tegen een wettig betaalmiddel, kan inwisselen.

Uitgebreide werkkring van de Nederlandsche Bank

Om een denkbeeld te geven van den zeer uitgebreiden werkkring der bank, deelen wij mede dat voor ongeveer twee honderd millioen gulden aan bankbiljetten in omloop is.

Van dit in omloop zijnde bedrag moet niet minder dan veertig percent bij de bank aanwezig zijn, in standaardgeld, ongemunt geld of staven goud, voor het ondenkbare geval dat al de houders van briefjes hun geld bijna tegelijk kwamen opvragen.

In de kelders der bank is in den regel veel meer aanwezig dan er volgens de bovenstaande wettelijke bepaling moet zijn.

Onderlinge verhouding tusschen de Bank en den Staat.

Terwijl, door het wettelijk octrooi, de bank het uitsluitend recht verkregen heeft om papieren geld bij hare handelsoperatiën in omloop te brengen, dus een monopolie bezit en concurrentie is uitgesloten, keert zij aan den Staat het bovenvermelde aandeel in de winsten uit.

Verder bewaart zij kosteloos de Rijkskas of de schatkist en helpt de regeering bij het vervaardigen en verspreiden der muntbiljetten.

De zoogenaamde zilverquaestie. Schommeling in de waarde

Vooral in den prijs van het zilver is altijd veel schommeling, hetgeen met het goud minder het geval is. Zoo had b. v. in het

Sluiten