Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verschillende omstandigheden kunnen daartoe medewerken en dikwijls zal het eene in zeer nauw verband staan met het andere.

Wanneer het kapitaal in de ruimste mate en op verstandige wijze wordt aangewend, wanneer alles wordt weggenomen, wat de ontwikkeling van het kapitaal en de gemakkelijke ruiling der producten verhindert; wanneer de verkeerswegen worden uitgebreid, de staatsuitgaven, die niet direct op de algemeene welvaart gericht zijn, ingekrompen en mitsdien ook de lasten verminderd of beter verdeeld; wanneer de spaarzaamheid, met andere woorden de kapitaalvorming wordt bevorderd en aangemoedigd, de noodige zorg wordt genomen voor den ouderdom en de ongeschiktheid tot werken, dan wordt daardoor op den langen duur de maatschappelijke welvaart verhoogd. De loonen rijzen, dat wil zeggen, komen in betere verhouding tot den prijs der behoeften, de koopkracht wordt dus grooter, het voortbrengend vermogen wordt verhoogd en verbeterd, het aantal dergenen die meer voortbrengen dan verbruiken neemt toe. Omgekeerd neemt het getal af van hen wier lot onzeker is en die met zorg de toekomst tegengaan of gedurig de wisselvalligheden van het lot moeten vreezen.

Wel beschouwd is dit niets anders dan een meer en meer naderen van het algemeen tot een normaal peil van welstand, een wegnemen van de oorzaken der armoede en een vermindering van de reeds bestaande armoede.

Een zeer voorname oorzaak van armoede is de

onkunde.

De onkundige moet noodzakelijk voor den kundige onderdoen. Hoe meer onkunde er in een land heerscht, hoe grooter in den regel de armoede is, hoe ongelijkmatiger de rijkdommen zijn verdeeld.

In deze is de roeping van den Staat veelzijdig. Maar wanneer wij bedenken dat eene eerlijke mededinging in den strijd om het bestaan is uitgesloten voor hen, die niet in de gelegenheid waren om zich eenige kennis te verschaffen en de onwetendheid vooral in eenen tijd als de onze als een der rijkste bronnen van armoede is te beschouwen, omdat de meeste arbeid kennis vereischt, behooren wij elke poging, van welke zijde dan ook aangewend, om die kennis te vergrooten, te waardeeren. Het is niet de vraag waar en op welke wijze zij verkregen, maar wel of zij inderdaad bezeten wordt.

Sluiten