Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pa woog dat goud. Pa gof dat kaf weg. pa bad tot God.

Pa at gauw die koek op. pap goot pa.

bad da tot God?

da had dat gat.

dat gaf ka aan aag. dat gat was goed. hoe gaat het pa ? enz.

Da dn P t Hnt CfnnsJ v i

7 )! Plet' houdt dat gat weg'

toe ! enz """" * *""* "U b°"S W/

wat gaf pa toe?

at jat doet pa (goed) gauw was dat deeg (aag)?

was dat die boog?

P°' d0et dat Sat (gauw) was dat die zaag?

"*< «*! was da, die neg?

pa goot die soep gauw weg. was dat toch die weg? doet nn Hnt an+ Sn

toe? WUS dat gat?

op die goot was ook die boog.

bood aag ook op die zaag? houdt pa het oog op piet? houdt pa dat goud op dat gat?

houd dat deeg goed op, eef! houdt pauw die tak hoog? houdt ot die tak ook hoog? houdt op die boog, wout! Piet, houdt dat gat weg!

Piet, houdt dat gat weg!

toe?

ho! pa, doe dat goud gauw

weg!

ot had gaas.

ot had goud.

ot at op dien dag gauw die

koek op!

ot haat aag ook.

ot deed dat oog ook toe. ot bood ook op dat goud.

op aie goot zat een dog.

wai gaT kees aam» tnd

w " O"1*" ll/t.

wat was die hit toch gauw dood!

was dat die goot?

was dat dat goud?

was dat die giek?

was dat die gek?

wat was goed?

wat was goud?

wat was gek?

wat was die pa goed op piet? wat heeg die piet?

wat woog fie ook?

wat gaat het aag goed!

Sluiten