Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die aap at gauw die kaas op. die aap had gauw die bes op. die aap was toch gauw dood. die aap zag wat op die tak. die aap zat gauw op die goot. wie at zoo gauw die koek op ?

wie was zoo gauw op die tak ? wie had dat oog toe? wie doet dat gat gauw toe? wie bidt tot God?

wie houdt dat gat toe?

wie ziet die boog hoog?

wie houdt gauw \ dat hout op dat gat?

wat u/fls dat goed gauw wit! wie gaf dat goed?

wat is dat zout!

is dat vet toch weg? is dat gat goed diep? is pauw ook weg?

weet pa goed, wat-i-doet? vouw die doos goed toe. ik ga gauw weg.

koos gaat ook gauw weg. zat die kat op dat gat? pak die poot gauw beet. pas goed op die hit. die koek is op dat gas |

gauw heet.

wie gaat gauw weg? wie gaf pa die koek ? wie bidt tot God?

wie zou dat gauw doen ?

deed ot dat goed?

deed aag dat goud

op die doos?

weet da, of die dag goed is? weet aag, of die giek goed is? deed pauw dat hek gauw toe? giet kees dat bed goed? het gaat ot goed.

bet gaf pa wat pap.

piet giet dat bed.

piet goot dat bed.

gaf piet pa wat?

die wip gaat goed.

dat is gas.

dat goed is dik.

die giek is wit.

die gek zit op dat dak.

die koek gaf pa weg.

A'

OEFENING IX.

ma • moe • moo,

ma ■ mee ■ mie.

ma ■ möe — moo - mou — mee ■ mie.

Sluiten