Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe^zong mien?

hoe^ging het met den voet? pa^doet de^tong^in dekpan, toe^wees toch niet bang.

ot was

ot had pijn in zijn wang. de gang was eng.

ot dong op dat ding.

ot beet op zijn tong.

ot ging in het hok.

houd die wang op en wees niet bang.

houd de tong op!

pauw zong in den gang.

doe^dat ding^in den gang. doe^de^tang_en de pook

weg.

ot zong.

bang.

wat zat op zijn wang? was hij bang in den gang? die tang was kapot, die wang was wit.

die tong was heet.

wat is piet bang!

heet die visch tong?

weet hij wat van zang? dat ding hing in den gang.

OEFENING XI.

hij — ei.

ha — nee — hie — hei.

a — ee — ie — ei.

p— — — —

d— — — —

w— — — —

k— — — — g— — —

m— — — —

n— ( — — — li. van Lier. Hygiënisch Spreken en Stamelen.

Sluiten