Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lees goed je les.

laat mijn lijf los!

ik lijk op mijn pa.

louw leek op zijn moe. leeg was de lei.

daal dat pad af.

daan lag die paal in dat hol. zijn taal was niet zoo mooi. hij had al een boel op. de bal van nol was hol. de tol viel al om.

viel hij van de wal ?

voel aan de wol.

woel jij in je bed?

de zaal was vol.

mijn zool was los.

wil hij heel veel wol '? Hij had wel een bel. de kiel was van wol. de kiel was kaal.

veel pijn in de keel. de kool was hol.

de kool was heel zoet gil niet, paul!

een pijl bij een bijl.

viel paul in de kuil?

vijl in de tijl, paul! eet een mol meel ?

hij had veel lol in de jool. hij had jool in de jol. vul de geul heel vol. de duif was wel vuil.

OEFENING XVII.

ra.

Oefen: aar — aar — aar.

oer — oor — our — eer — ier — yr

eur — uir — uur.

ara — aroe — aroo — arou — aree arie — arij — areu — arui — aruu.

Oefen: ta ra — tadara — tadera

toe roe — toedoeroe — toedoeroe

too roo — toodooroo — tooderoo

tou rou — toudourou — touderou

tee ree — teedeeree — teederee

Sluiten