Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zus-ter.

saus-kom

fis-tooi.

huis-baas.

zak-doek.

zoog-dier.

huis-dier.

zeil doek.

lees-boek.

zak-mes.

bin-nen.

voer-man.

buik-riem,

mijn-heer.

nijp-tang.

zout-pot.

huis-dier.

lijm-pot.

zang-boek.

vouw-been.

zuur-kool.

kom-foor.

sol-daat.

visch-net.

koet-sier.

kies-pijn.

Een bedelaar | met een bedelzak.

Anna | in het panorama.

Karro | met een kakatoe.

Een manilla | is een sigaar.

Wij herhalen | onze lessen.

Iedereen zei | amen.

Een Arabier | is uit Arabië.

Een olienoot | is lekker.

Een oliekoek | wordt in de olie | gebakken.

Het achterhuis is van hout.

Alledag | wordt op de ijsbaan | gereden.

Achter mijn rug | nam hij annanas.

Een babbelaar is bang | voor zijn onderwijzer.

In de bazar | had hij een koopje.

In de „ Bataaf" | zag hij limonade, aalbessen | en madera.

Kon hij dit allemaal | aanhooren ?

Daartegenover | is de zeepbak.

OEFENING XVIII.

Meerlettergrepige woorden.

ad-mi-raal. al-ma-nak. ach-ter-ka-mer.

o-lie-mo-len.

os-se-tong.

on-der-wij-zer.

wees-meis-je.

Cor-ne-li-a.

bur-ge-mees-ter.

Sluiten