Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De man | kapt den boom om. De hond | kaapt dit weg. Hij gaapt haar aan. Wie lapt | de laars?

Piet | raapt de pijp op. De peer | rijpt aan den

boom.

Hij sopt | in de koffie.

Hij hakt het hout | door. Hij tikt met de pook |

op de ruit.

Zus | pookt het vuur op. Moe | bakt visch | in de pan. Wie | dekt de pan | toe? Wie | pakt de pan beet? Zus | hikt.

De musch | pikt wat op. De man waakt.

Pa | wekt moe.

Hij wijkt | voor een bok. Hij zakt omlaag.

Het water kookt |

in de ketel.

Hij kijkt | uit het i-aam. Wie maakt een kast |

van hout?

Wie jokt | is stout. Hij jeukt de hand. Mij lokt de duif.

De hond | likt de baas. De pijp lekt.

Hij raakt mij | aan 't hoofd. De man | rookt een pijp. Hij ruikt | aan een roos.

Ik dacht | aan mijn nicht. Wacht | bij de bocht. Hij zuigt | in den nacht |

op zijn duim.

Hij buigt | en lacht. Hij legt dat recht. Wie hijgt | als hij moe is? Mij heugt dat.

De mist | is dicht.

Hij was van na<

Hij staat | op den tocht. De man | zaagt het hout. Wie weegt | die zak? Is de koek | zacht?

Zocht zij | met licht? De koe zoogt I het kalf. Op de jacht | ving hij |

een haas.

Hij kocht | nog een kaas. it | op de jacht.

Sluiten