Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OEFENING XXIII.

Typen van oefeningen.

Dat is een stoel. Het boek ligt voor, achter,

Dat zijn twee stoelew. naast...

Ik heb een stoel. Ik hoor met...

Ik heb een pen in de hand. Ik zie met...

Ik zit op een stoel. Ik schrijf met...

Ik lig op de bank. Ik zie door...

Ik sta aan de deur. 't Boek valt op...

Ik loop naar het raam. De plaat hangt recht. Het boek ligt op, onder... De kraag is wit.

Ik ben groot.

De kachel is warm.

Ik sta om 8 uur op.

Om half 9 ga ik naar school, enz.

Spreek uit:

0 pwb lazen. platduwen.

h o o p^p o o t e n. m ij n„n aam.

lamwmaken. Nol^ligt.

v Ü Cf outen. haa rwr o o s.

vijf volgt (vijf folgt). losjnijden.

v |j f willen. i swz o e t.

1 a a t_t huis. i k_k i e s.

joegwgauw (ch).

Sluiten