Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderstelling bij den Doop is, dat het geloofsvermogen door wedergeboorte aan het wicht reeds is ingeplant." Waar die onderstelling faalt verzegelt de Doop óf ganschelijk niets of een geanticipeerd geloof.

Onze derde grief is tegen predikanten, die den heiligen Doop weigeren, indien de ouders kerkelijk niet gaaf en zuiver staan. De moeder van een onecht kind, of ouders van een echt kind, die tegen de Doop vragen opzien; of ouders die een ergerlijk leven leiden; of ook denzulken die om andere redenen met de kerkregeerders in gemoei komen, weigert deze en gene predikant soms den Doop. Hiertegen nu geldt: 1°. dat een predikant nooit den Doop mag weigeren. De Doop is een schat der gemeente, waarover de kerkeraad, niet de prediker beschikt. Maar ook 2°. dat de regel der kerk is: „Doopen al wat het doophuis inkomt!" Doop mag eigenlijk nooit, dan in zeer bijzondere gevallen, geweigerd. De gemeente stoot niet af, maar trekt aan. Ze verstrooit niet, maar vergadert. Stel dus het ergste, stel dat er een kind ten Doop wordt aangeboden uit heidenen, Turken of Joden geboren, dan moet het toch gedoopt, indien eenig lid der gemeente er gebiedenis over heeft, er voor op wil treden of ook de kerkeraad (d. i. de gemeente geconcentreerd) er macht over krijgt. En wat nu de andere gevallen aangaat, van openbare zonde, ketterij of ergerlijk leven bij de ouders of één van de ouders, dan vergete men nooit, 1". dat zulk een zonde van ketterij of ergerlijk leven óf zóó is dat er kerkelijk meê gerekend dient, óf niet. Indien wel, dan moet de kerk niet wachten tot men om den Doop komt, maar vooraf tot boete en bekeering manen en voorts handelen naar tucht en orde. Komt het dan aan den Doop toe, dan spreekt het vanzelf, dat onboetvaardige personen die onder tucht staan, niet als getuigen optreden. Maar desweegs may het kind niet ongedoopt blijven. Het worde dan gedoopt op den band van andere getuigen of ook van den kerkeraad zeiven. Zelfs sZartnnen-kinderen werden door onze vaderen gedoopt.

Minder belangrijke quaestiën, maar die toch bij den heiligen Doop ter sprake komen, zijn: 1°. de toespraak; die, hoe uitnemend ook, toch nooit hoofdzaak mag worden. De Doop is het eigenlijke, het wezenlijke. Alle menschenvermaan is hier ondergeschikt, bijzaak, des noods misbaar. 2°. De tijd van den Doop. Er sterven in massa ongedoopte kinderen. Dat komt van het lange wachten. Soms twee, drie maanden. Mag dat? Of is er geen hope, dat onze vroeg gestorven kinderen uitverkoren zijn, die God de Heere daar boven volmaakt? En indien ja, moeten ze dan hun Doop niet hebben? Niet om ze te zaligen, maar om de ordening Gods? Wat dan weer saamhangt 3°. met de vraag: Vader of moeder? — Thans werd het bijna algemeen: „Desnoods zonder den vader kan er gedoopt, maar in geen geval zonder de moeder." Eertijds bij onze vaderen was het: De vader stellig er bij, de moeder bij uitzondering. Zie nog maar in ons Formulier. Niet: „waarvan gij vader, [moeder] of getuige zijt!"; dat is

Sluiten