Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover de bresae die in Jeruzalems muur viel, heeft te gedragen.

Om dit in te zien neme men nu de zaak eerst eens zoo generaal mogelijk, en vrage zich af, hoe God de Heere wil, dat we ons gedragen en houden zullen tegenover de machten die ons drukken en bestrijden of, hoe ook, ingaan tegen onzen welstand.

Die machten kan men in drieën indeelen. Immers het is altijd óf de natuur die tegen ons ingaat; óf het zijn menschen die ons leed aandoen; óf het zijn de kwade engelen die ons bestreden, onder inspiratie van den duivel, hun hoofd en schrikkelijke bezieler.

Be natuur gaat tegen ons in op bijna alle manieren. Ze is om der zonde wil onrustig geworden; uit haar stand gerukt; en ontdaan van • haar innerlijke harmonie. Iets wat men ook eenvoudig zoo kan uitdrukken : Wat eertijds paradijs was is thans wereld geworden! Eden is weg! I)e Heere God heeft dit den mensch dan ook terstond na zijn val in zonde onder het oog gebracht. Het zou van nu voortaan niet meer het paradijs zijn; maar doornen en distelen zou de aarde voortbrengen. Voorts zou de vrucht der spijs niet langer maar zoo voor het plukken zijn, maar in het zweet des aanschijns aan den bodem moeten ontwoekerd worden. Met smart zou de vrouw kinderen baren. En ten leste zou de aarde toch overmogen, en de eens zoo prachtig door God gevormde mensch wederkeeren tot stof door ontbinding.

En zoo heeft de mensch het dan ook bij zijn omwandeling door de eeuwen gevonden, en bevinden wij het nog.

Schriklijk kunnen soms de elementen woeden op de wateren die den aardbol omgorden en op het land dat door die zeeën omsloten wordt. Telkens ronkelt dé aarde van binnen, en beeft en trilt ze onder den vulkanischen bodem. De bliksem schiet vuur uit en doodt of ontsteekt brand. De stormen doen de wouden dreunen en ontwortelen de stammen. Plasregens storten vernielend neer. Hagelslag vernielt den oogst. IJskoude vorst doet al wat vloeide of rul was verstijven als in den dood. Of ook de zon zengt en de bergen laten hun watervracht los en de stroomen zwellen en de dijken bezwijken en al het land wordt overstroomd.

En toch, zelfs met die ontzaglijke vernieling heeft de verbitterde natuur nog op verre na haar woede aan den zondaar niet gekoeld. Haast zijn die losbarstingen der elementen nog grootsch van karakter, gezien en vergeleken bij die andere verschrikking die ze over ons brengt, als ze het munt op mensch en dier zelf, niet op de plek waar hij woont of staan wil; neen maar op hem zelf, op zijn bestaan, op zijn leven, zijn lijf.

Dan toch komen die bittere plagen, die aan het leven zijn glans rooven; wanneer losgelaten wordt dat heir van verwoestende pestilentiën en giftige smetten, die in ziekte na ziekte, in krankheid na krankheid 't zij gemeenlijk zich nestelen in de steden en dorpen, in de woningen en in de geslachten, ja, tot in ons eigen bloed en gestel,

Sluiten