Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarheid zoekt, niet die vlinderzielen, mam• wel de ge rijpten in levenservaring. En zij, ja, ze kunnen, door alle eeuw en onder alle volk, nooit een ander getuigenis dan dit ééne doen hooren: „De roensch heeft een strijd op aarde! En nu aangaande de jaren onzes levens, daarin zijn zeventig en, indien we zeer sterk zijn, tachtig jaren, maar het meeste van die is moeite en verdriet!"

Maar; en hierin komt nu eerst de rechte ernst des levens; al moeite en verdriet, maar door God over ons gebracht; door God den Heere noodig voor ons gekeurd.

Want wel terdege spreekt daarin ook straf zich uit, of wil men, een betooning en openbaring van de gerechtigheid en heiligheid des Heeren; maar overmits in God Drieëenig alle onderscheidene eigenschappen niets zijn dan anders gekleurde stralen van een zelfde Eeuwig goddelijk Wezen, zoo spreekt toch ook in die betooning der gerechtigheid zich tegelijk de beschikkende Voorzienigheid des Heeren uit. Zeer gewisselijk doet de Heere alle ding om zijns zelfs wil, en handhaaft Hij dan ook zijn gerechtigheid ter wille van zijn Wezen, omdat Hij de gerechtigheid is, maar juist overmits we zijn schepselen zijn, komt dat handhaven der eeuwige gerechtigheid dan toch ook weêr aan ons als de schepselen van dién God ten goede.

Zooals de zondaar op aarde staat, staat hij er dus naar Gods bestel en ordinantie.

Een zondaar in een paradijs dat kon niet!

Dat zou geweest zijn, alsof ge een dief de sleutels van uw schatkist in handen gaaft. Het zou hem niet beschamen, maar prikkelen tot nog erger misdaad.

Bij een ruïne hoort een ruïne. Bij een afgebroken mensch een ingezonken wereld. De doornen en distels moeten onze hand schrijnen, omdat we met de doornen en distels van ons boos hart dag en nacht inschrijnen tegen de teedere heiligheden van den Heere onzen God.

In letterlijken zin heeft God de Heere dus die drie machten van de Doornen, van den Kaïn en van de oude Slang, of wilt ge, meer in ónze taal, van de natuur-, de menschen- en de demonenwereld tegen ons losgelaten. God de Heere heeft het zoo gewild.

We moesten door drie aangevallen worden.

Vijanden moesten we hebben, doodvijanden zelfs. Nu wij vijanden Gods waren geworden, moest er vijandschap ook tegen ons uitbreken. En alzoo is het nu beschikt, en alzoo is het nu verordineerd, dat wij hulpelooze, weerlooze, machtelooze schepselen, daar nu dag aan dag en nacht bij nacht voor het schot van den pijl zouden staan, om tegelijk van voren en van achter, zichtbaar en onzichtbaar door deze vijanden en doodvijanden te worden belaagd, bestookt, benauwd.

Want of die pijl nu in den vorm van een vuuvschicht uit de donderwolk schiet; óf als vlijmend woord van bitse bitterheid u wondt van menschenlippen; óf schriklijker nog, van uit Satans verborgen

Sluiten