Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moet nu, naar luid van Gods Woord, onze verhouding tegenover dien Satan, een lijdelijke zijn, dan wel een strijdende en werkzame? Wil de Schrift dat we de werken des Duivels zullen tegenstaan, of wel dat we ze in stille lijdelijkheid over ons zullen laten komen?

Haast godslasterlijke vraag, zult gij zeggen!

En toch, prent het u wel in, lezers, toch zijn er kringen, waarin die vraag wel wezenlijk bestaat en, het zij met ontzetting gezegd, in lijdelijken zin beantwoord wordt.

Menschen die voor den afgod van hun vrijen wil geknield liggen, vatten dat niet. Die beelden zich in dat Satan op zijn eigen gelegenheid tegen ons machineert. Stellen heel Satan dus buiten het Godsbestuur. En komen reeds dientengevolge nooit aan de vraag toe: „of we Satan moeten laten geworden?" _ _

Maar dezulken staan dan ook buiten de Schrift. Die den vrijen wil aanbidt is een afgodendienaar. Die maakt van den levenden God een afhankelijk Wezen. Vernietigt dus zijn godheid. En keert de orde van hemel en aarde om. Op het Schriftterrein, waarop ons blad door Gods genade plaatsen mocht, rekenen zulke „autexiousiasten , gelijk Owen ze noemde, derhalve niet eens meê.

En komt men nu daarentegen op dat Schriftterrein met ons plaats nemen, welnu, dan moet immers beleden: dat óók Satan een creatuur is, en dat, naar de schoone belijdenis van onzen Catechismus, dies ook het creatuur Satan, zonder Gods wil zich „noch roeren noch bewegen kan."

Elke aanval die van Satan op ons loert of mikt, gaat dus onder Gods bestel; „geweld", d. i. rechtmatige opperheerschappij, heeft Satan niet meer over ons '); en zonder den wil van onzen hemelschen Vader kan geen haar van ons hoofd gekrenkt worden.

De bede: „Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den Booze", houdt dan ook in, dat, hoewel God niemand verzoekt, toch desniettemin ook de verzoekingen niet buiten het bestel der Goddelijke Voorzienigheid vallen, en dat God de Heere machtig is „zijn kinderen te behoeden voor 's vijands macht en vreeslijk woeden, en hen beschermt in 't bangst gevaar."

En wordt dat nu eenmaal in ernstigen zin beleden; beleden, dat de prikkelingen van Satan tegen ons evengoed in het goddelijk voorzienig bestel zijn opgenomen, als oorlogen en pestilentiën of ook

') De uitdrukking van den Catechismus: „Eu mij uit alle geweld des Duivels verlost heeft", beduidt volstrekt niet, dat de Satan geen macht meer op ons kan uitoefenen, maar uitsluitend, dat hfl geen rechtsmacht meer over ons heeft, ken stad, een land, „onder zijn geweld" hebben beteekende in de dagen van Datheen: Souverein over een stad of land z(jn. In het Latijn staat dan ook met potentta, maar protestas, namelijk aldus: „et me ab omnl potestate Diaboli liberavit •

Vroeger wis de Duivel „overste der wereld." Nu heeft Jezus alle macht ontvangen in hemel en op aarde.

Sluiten