Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onware voorstelling, alsof dit zich onthouden van alle politieke bemoeiing, en in het algemeen deze „lijdelijkheidstheorie" en dit systema van „stilzitten" het „echt gereformeerde" ware.

En toch zoo doet men het voorkomen.

Men poogt den indruk te vestigen, alsof het echte, rijpere, vromere gereformeerde leven, op de keper bezien, zich met dat actief optreden in 's lands zaken niet wel verdroeg; ja, alsof ook op geestelijk terrein hij het verst in het keuren van de zuiverste gereformeerde wateren ware gekomen, die nu niets meer deed, dan stil er bij neerzitten, in een hoekjen met een boekjen, of eigenlijk ook dat „boekjen" niet meer, maar alles uit den Geest.

En dat nu is niet zoo.

Eer omgekeerd kan niet luide genoeg getuigd worden dat onze gereformeerde vaderen, niet pas sinds Calvijn maar reeds van de dagen van Zwingli af, dus van de allereerste dagen der Keforinatie, zoo krachtig en beslist mogelijk tegen dat lijdelijkheidssysteem zich hebben verzet en het door verdubbeling van energie en werkzaamheid hebben bestreden. Dat ze meê uit dien hoofde (lees maar de Belijdenis van l)e Bres met bijbehoorende stukken, enz.) alle gemeenschap met de dooperschen hebben afgesneden. En dat ze er met Gods hulp metterdaad in geslaagd zijn, om den weekelijken, ziekelijken levenstoon, alomme in Zwitserland, Nederland, Frankrijk en Schotland, door een levenstoon van manlijke kloekheid en Christenheldenmoed te vervangen.

Nooit, nooit hebben onze vaderen het zich laten aanleunen, dat de nationale belangen ons niet ter harte zoude gaan. Ze hadden een drievoudig snoer, „Oranje, Kerk en Nederland", en wilden er niet van hooren, dat zij nu staat en stadsbestuur maar aan de mannen der wereld moesten overlaten.

Tegenover de doopersche stelling, dat de overheidszaak buiten de bemoeiing van den gereformeerden Christen lag, stelden zij kloek en kras en principieel hun beweren: dat zelfs dan eerst de meest gewenschte toestand zou intreden, als heel de overheid in de kerk was.

Dit laatste versta men niet verkeerd.

In onze dagen spreekt men gedurig en kan men het zich haast niet anders meer voorstellen, dan dat er een land is, en over dat land een overheid, en dat er onder die overheid alsnu in dat land allerlei kerken zijn en zoo o. a. ook de kerk waartoe wij behooren. Maar onze vaders jaagden een geheel ander ideaal na. Zij zeiden: Er is eerst de kerk of liever de gemeente Christi in deze landen, en over deze ééne gemeente Christi is nu in de kerk tweeërlei soort van

Sluiten