Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII.

DEN STRIJD DES HEEREN STRIJDEN.

Al wie inkomt, om den strijd te strijden, opdat hij den dienst bediene in de tent der samenkomst. Num. 4 : 23.

Ons vorig artikel heeft getoond, hoe verkeerd men doet, met voor Gods kerk te strijden uit zielsdorst naar normale toestanden, die, hoe vurig ook afgebeden en hoe brandend van verlangen ook ingewacht, toch nimmer komen.

Er is een valsch, een zondig idealisme, ook in de kerk van Christus, en dit zondige idealisme, dat geen genoegen neemt en geen vrede heeft met Gods beschikking om ons in gebrekkige toestanden onder het kruis te laten doorgaan, komt uit niets anders voort dan uit een te licht heenglijden over het diep satanisch wezen der zonde en een miskennen van het organisch verband, waarin ook de kerk met den zondaar in den mensch staat.

Vooral met een beroep op 's Heeren nabijzijnde wederkomst hoort men dit overdriftig drijven telkens door de sekten bepleiten.

Naar zij voorgeven staat de komst des Heeren voor de deur, en is het alzoo de roeping der Bruid om zich los te maken van dit aardsche leven, en zich te bewegen haren heerlijken Bruidegom tegemoet.

Dit is óók een streven van de zalige droomers. En wel zulk een streven, waarin niet dit moet afgekeurd, dat men leeft als zou .lezus morgen, neen nog hedenavond op de wolken verschijnen. Dat is zelfs Christenplicht. Al de Apostelen stonden in dat onmiddellijkheidsbesef. De eeuwigheid lag hun niet aan het einde van den tijd, maar op elk oogenblik beseften ze en voelden ze dat de Eeuwigheid de vloer, de grond, de bodem was waar de Tijd op rustte, en dat derhalve de openbaring van den Christus in zijn heerlijkheid op elk moment vlak ons nabij was. Naar het woord van het Hooglied: „Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende door de traliën." En nooit hebben we gevat, hoe men opkwam tegen Paulus' consequentie, omdat hij de ééne maal sprak als stond de Heere morgen te komen, en dan weer van sterven en ontbonden worden, om door den weg des doods tot den Heere te gaan.

Fout gaan de sekten slechts daarin, dat ze in plaats van den Heere tot zich te laten komen, zelf op willen dringen den Heere tegemoet.

Zal de Heere komen als een dief in den nacht, dan moet de kerk tot op het allerlaatste oogenblik stil voortleven op gewone wijs en voortarbeiden aan haar dagelijksche taak, tot opeens, en terwijl niemand het verwachtte, de Heere komt.

Sluiten