Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gereformeerde kerken belijden op grond van Gods Woord het algemeene priesterschap der geloovigen: oordeelen mitsdien, dat een iegelijk lidmaat in Jezus' kerk een roeping heeft; en passen den naam van „krijgsknecht Christi" volstrekt niet alleen op den voorganger, maar wel terdege op alle leden der kerk toe.

Op voorgangers en leden beiden rust de verplichting om rusteloos den strijd voor God en tegen Satan in eigen huis cn in het huis des Heeren te strijden.

Boen nu de voorgangers hun plicht en komen zij getrouwelijk hun roeping na, dan volgen de leden hen. Maar ook, wordt deze plicht door de voorgangers verzaakt, dan kan dit schromelijk en onverantwoordelijk plichtsverzuim der voorgangers in geenen deele de geloovigen van hun plicht ontheffen.

Soldaten die in een hachelijk oogenblik, omdat hun aanvoerder afdroop, zelf de handen slap lieten hangen, zouden reeds voor een aardschen krijgsraad gevonnist worden met straffe des doods.

„Tegenover den vijand nooit het zwaard in descheede" is krijgsmanseer.

Blijken dus de voorgangers nalatig; houden zij zich lijdelijk; en gaan zij de leden niet voor, om ze in den strijd te leiden; dan moeten de geloovigen wel eigener beweging optreden.

Niet slechts dat ze dit mogen, neen ze moeten dat zelfs, naar den onomstootelijken grondregel dat Eva's zonde Adam niet vrijmaakt, d. w. z. naar het Schriftuurlijk grondbeginsel, dat and er er plichtsverzaking u nooit van TpMchisbctracfding kan ontslaan.

Dit is steeds én eenparig door alle vaderen in Christus aldus beleden én verklaard.

Naast de gewone roeping hebben zij op grond van Gods Woord zelfs steeds de buitengewone roeping gesteld, om de genade Gods te eeren, die, waar de oflicieele herders afdropen, dan toch zijn arme kudde van buitengewone leidslieden voorzag.

En waar ambtelijke hoovaardij of collegiale zelfgenoegzaamheid, door nawerking van den Roomschen zuurdeesem, deze wondere genadeleiding zocht te weerstaan of te onderdrukken, hebben onze vaderen zich steeds op Pinehas beroepen, den privaten burger, die noch rechter noch overheid noch in eenig ambt was, en toch opvloog om een schriklijk vonnis des doods uit eigen volmacht te voltrekken (Num. 25 : 7).

Want — zoo loofden onze vaderen dezen ij veraar — er staat niet slechts dat hij zulks deed en dat de plage ophield, maar de Heilige Geest verklaart ook wel terdege en nadrukkelijk, dat zijn fcwtienambtelijk optreden „hem gerekend is ter gerechtigheid" (zie Ps 106 : 31).

Natuurlijk niet, alsof hiermeê élk optreden in schijnbaar gelijken zin gewettigd was.

Nooit is dit gewettigd, tenzij de Geest drijft.

Maar nu, of de Geest drijft, zie, dat staat nu niet aan een ander, maar alleen aan den persoon zelf te beoordeelen. Hij draagt er de

Sluiten