Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verontschuldiging van zijn schuldig niets-doen te verschuilen. Aangetoond, om alle verontschuldiging af te snijden, hoe zelfs de vroomste intentie en heiligste gemoedelijkheid en teederste overgeestelijkheid in niets de macht bezitten, om ons van den plicht tot doortasten te ontslaan. Aangetoond ten slotte, hoe de Irenischen zich zeiven in hun eigen gedraging veroordeelen, zoo dikwijls zc het heerlijk bedrijf der Reformatie loven, eere aan het bloed der martelaren bieden, en tegenover Rome zich op het verledene beroepen. Ja aangetoond niet minder en als om het onderwerp uit te putten, hoe de Irenischen, door hun onhoudbare gedragslijn, zelfs lijnrecht tegen de nationale herinneringen en den eisch der volksconsciëntie ingaan, door als schuldig en ongoddelijk te veroordeelen, wat aan onze vaderen toescheen, als zelfs ten koste van hun goed en bloed, van den Heerc der heirscharen geboden.

Tot dusverre vernamen we nog niets van een poging, om dit betoog te ontzenuwen; iets wat dan ook noch Schriftuurlijk noch canonisch noch historisch licht zal vallen; en wat toch, zullen de Irenischen hun irenische banier met eere hooghouden, tegen wil en dank dient beproefd.

Komt het daartoe, dan hopen we van harte, dat het tegenbetoog voet bij stuk zal houden, en niet door zwevende, philosophische bespiegelingen, die ons volk zoo koud als ijs laten, dc aandacht zal aftrekken van de eminent practicale zijde der quaestie. Geen gelijk of ongelijk drijven of dringen, maar ernstig en als voor Gods oog worde de vraag overwogen, wat ten deze door Gods heilig Woord, door de daaruit afgeleide gereformeerde beginselen, en door de heilige traditiën van ons volk en ons hart geëischt wordt.

Er staat met deze quaestie van het schuldig of onschuldig, aanbevelenswaard of ongeoorloofd karakter der irenische gedragslijn voor theologie en wetenschap, voor staat en kerk, voor huis en hart, ja, voor de onderlinge broederschap en den vrede van Jeruzalem, zoo onuitsprekelijk veel op het spel.

Wij voor ons zijn vast overtuigd, dat de irenische groep in dit land op dit oogenblik een tweeling in haar schoot verbergt. Aan den éénen kant een groep kinderen Gods, in wier hart genade een werk der heerlijkheid wrocht, en die gesmaakt hebben de krachten der toekomende eeuw. Maar ook aan den anderen kant een groep die niet van Jezus is, die wel den klank van zijn waarheid ten deele nabootst, maar in den grond vijandig tegen Hem overstaat, en dus zijn eere als Koning en den prijs van zijn heilig en dierbaar bloed zoekt te verkleinen.

Nu moet het er heen, dat deze Jacob en deze Ezau uiteen worden geward. Deze twee elementen hooren niet saam en moeten dus aan elkaar den scheidbrief geven. De groep schijnbelijders hoort bij de groningers thuis, niet bij de orthodoxen, of eigenlijk eer nog bij de VI 12

Sluiten