Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kent. Een arbeiden i. é. w. om waartoe te geraken, de lijdelijke niet moet opgezweept en hem de prikkel in 't vleesch gezet, maar integendeel gestild en neèrgeslagen, verbroken en verbrijzeld. Een arbeiden, niet tegen het bidden overstaande, maar dat juist in het gebed het toppunt van zijn kracht bereikt. Of is er niet een arbeiden, dat schuil blijft, „een arbeid der ziele", gelijk Jesaia het zoo prachtig noemt, en kon niet alleen die arbeid heel een wereld verlossen?

Op die. lijn nu, niet op die der „lijdelijkheidligt het schoone zielsmysterie, dat Gods Woord ons als de deugd der „lijdzaamheid" aanprijst.

Een mysterie, waartoe men ingewijd moet zijn, om het te grijpen. V\ant achter het gordijn, waar alleen het geloofsoog doorheen gluurt openbaart het zijn verborgen glorie.

Een mysterie, niet van ingezonken moedeloosheid, noch van willoos meedrijven, maar integendeel van een wondere energie; een hoog gespannen veerkracht; een sterkte van meer dan aardschen oorsprono-• iets spellend van de mogendheden Gods.

Een mysterie, waarvan ge het verschil met de lijdelijkheid flauwelijk, maar toch op voelbare wijs, ziet afgebeeld in den'lijder, aan wien bedwelmd en in dien anderen, aan wien nuchteren van geest de pijnlijkste kunstbewerking voltrokken wordt.

Zie, als ware hij een lijk, kan men sollen met den een. In diepen slaap bedwelmd, weet hij van zijn eigen vleesch niet; voelt 't niet, als hem de zaag door het merg gaat; en mist slechts, straks bii het wakker worden, het hem afgezette lid.

Bij hem geen moed, geen ernergie, geen worsteling; den bedwelmenden geur in te snuiven, ziedaar al wat hij bestond.

Maar nu, sla dien anderen lijder gade.

Deze legt zich, met klare, heldere bewustheid, willig neder op het hout, dat straks zijn bloed bezoedelen zal. Den aandrang „om zich weg te laten maken" bood hij wederstand. Hij wil er bij ° hij wil er in zijn, als de pijn genaakt en de onnoemelijkste smart hem door de zenuwen zal vlijmen. En nu, zie, als 't instrument zijn huid aanraakt en de arts zijn bloedig werk beginnen gaat, ja, nu vaart hem een kille huivering om de leden, maar hij worstelt, hij bedwingt zich, tot hij gansch bewegingloos ligt, zoo roerloos en stil. Met den adem ingehouden. Geheel lijdzaam.

Ik bidde u, behoort er, om zóó lijdzaam te wezen, geen heldenkracht toe?

Kent gij hooger krachtsbetoon?

En nu, wat is aan u 't werk des Heeren anders dan zulk eene kunstbewerking aan uw ziel?

Sluiten