Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden, maar profetisch. Zijn waren intocht hield Satan eerst in de woestijn van Judea, toen in die woestijn Johannes' groote Doopeling binnentrad cn het „een machtiger tegen den machtige" kon gaan, de Vorst van de heirscharen Gods tegen den Vorst der demonen uit de diepte.

Toen was dat eerst nog slechts gesprokene, uitgebeelde, in kiem getoonde, Woord vleesch geworden en ontlook met die vleeschwording, op geheel natuurlijke wijze, als vanzelf, de teedere bloem der „lijdzaamheid."

Immers nu was het Heilige er, op aarde; nu viel het onder het onmiddellijk bereik van het booze hart, van den boozen mensch en van den nog boozer Satan. Nu kon het aangevallen en aangevochten; kon het op zijn verderving en vernietiging toegelegd. Nu kon, nadien God zijn Woord vleesch had gemaakt, ook de Booze van het woord tot de daad komen. Maar ook nu zou al de scherpte, waartoe de haat tegen God het wapen ter verdediging slijpen kon, die scherpte, ondanks zijn woede en toomelooze razernij, bot slaan op dezen onkwetsbaren Diamant.

Die hemelsche kracht toch, waardoor die poging om dat vleesch geworden Woord weêr buiten deze wereld te sluiten, op Jezus afstuitte en mislukte, dat en niets anders is de lijdzaamheid, die hij eerst zelf in al haar volkomenheid tegenover Satan schitteren deed, en thans, uit zich, doet nawerken in die hem toebehooren.

Hij alleen was „de lijdzame" in volstrekten zin. Niet zoolang de broederen hem griefden of een groep verbeten Parizeen den Kaïnsmoord aan hem voltrekken wilden, maar wel bij Satans aanval, eerst op zijn geestesleven in de woestijn, en toen, na eerst voor een tijd geweken te zijn, op zijn menschelijke existentie in Pilatus' voorhof, aan den kruispaal en in het graf.

Niets is toen van Satans zij onaangewend en onbeproefd gebleven, om dat heerlijk, heilig, goddelijk leven in te drukken, te besmetten, en toen dat ondoenlijk bleek, om het te vernietigen; en zie, niet één enkel oogenblik is onder dien alle onheilige macht in zich besluitenden aanval dat heerlijk, heilig, goddelijk leven ook maar even ingebogen, gekrenkt of bezoedeld geworden. Zilverblank, als het in dat slijk geworpen werd, werd het uit dat slijk weêr opgetrokken, en tot welk een onnaspeurlijke schoonheid en kracht de „lijdzaamheid" in den Christus op Golgotha geklommen was, bleek eerst in vollen luister, toen het weêropstaan op den derden morgen aan aard en hemel toonen kwam, dat hij lijdzaam was, óók tegenover den laatsten vijand die vernietigd wordt, tegenover „den dood"!

Hiermeê was de strijd van Satan tegen het „vleeschgeworden Woord" zélf ten einde gebracht. Tegen den Christus zelf kon hij niet verder. In hem bleek „de lijdzaamheid", d. i. de goddelijke kracht om elke poging tot vernietiging glansrijk te doorstaan, onverwinbaar.

Sluiten