Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de komst als de wederkomst des Heeren verwachtten, terwijl voor ons, die na Bethlehem leven, alleen die wederkomst het voorwerp onzer „verwachting" uitmaakt. Ten opzichte van Bethlehem verschillend, staan we dus, wat het uitzicht op Jezus' „komst en glorie" betreft, met hen op volkomen dezelfde lijn, nog verwachtende als Abraham de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is, en daarom op onze beurt, als het lijden genaakt, nazingende wat de Psalmist eens zong: „Gedenk des woords, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. Dat is mijn troost in mijn ellende. Want uw Woord heeft mij levendig gemaakt."

Doch hieruit volgt dan ook ten slotte dat de lijdzaamheid niet maar zoo nu of dan schitteren kan, maar, zal ze van echten oorsprong blijken, aanhouden moet tot aan en in onzen dood. Dat is het wat Jacobus in dezer voege uitdrukt: „De lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk!" „Trekt ge den pleister," zegt Wittewrongel in zijn voortreffelijk Oeconomia Christiana, „te vroeg van de wonde af, dan maakt ge de vooraf geleden smart doelloos en zijt opnieuw in gevaar!" „Die volharden zal, d. i. die lijdzaam blijken zal ten einde toe, die, en geen ander, zal zalig worden." — Alleen wie met Paulus in zijn sterven jubelen kan: „Ik heb den loop voleindigd, én het geloof behouden," wordt in heerlijkheid gekroond.

Het is met „de litteekenen Christi" die zijn heiligen te dragen hebben als met de geboden Gods: wie in een enkele struikelt is schuldig aan alle, en al hadt ge ook zegevierend in negen weeën, die over u kwamen, stand gehouden en ge liet in het tiende uw Christus los, los zoodat ge van Hém afgingt en Hij u varen liet, dan had al uw vorige moed om niet geblonken en hadt ge uw loon weg.

Ook in de „lijdzaamheid" staat aan God de keus en is voor ons het volgen. Alle lijden dat ons naakt, moet ons, wijl het van Hém komt, goed wezen; en van niet één der Goliaths die ons tegenkomen op den weg, mag afgelaten, eer ze door den steen van onzen slinger neerzinken.

Het is nu eenmaal valsch gedacht, als zou voor Gods heiligen op aarde de gang in vreugde regel en het kruis een zeldzame uitzondering zijn. Och, dat beelden we ons in, als we pas op den weg komen. Dan denken we, als het lijden drukt: „W'at nood, straks neemt die tucht weêr een einde en vlieten weer zachtkens de wateren onzes levens, nauw gerimpeld door den nauw merkbaren wind". Maar wie verderop kwam, leerde het wel door gedurige teleurstelling, leerde het wel uit het Wroord des Heeren, dat het zoo niet toegaat, dat het kruis eiken dag terugkeert, en dat ons uitzien zijn moet niet op het einde van die bepaalde smart waar wre op dit oogenblik onder lijden, maar op het einde van alle smarten in onzen doorgang tot den Heere.

Gelijk de eene bare der zee niet kan wegduiken of eene andere komt, zoo gaan ook den heiligen Gods op aarde rusteloos de golven.

Sluiten