Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, die de schande heeft veracht en het kruis verdragen!"

De gemeente der uitverkorenen, zegt Wittewrongel zoo schoon, is als de arke Gods, die, zoolang de Heere ze niet ontsloten heeft, wel met onstuimigen golfslag moet geslingerd worden op de hooggaande baren der ellende. Ze zijn zijn akkerwerk, een edel koren, dat niet genoten kan worden, eer het met de zeis afgemaaid, met den dorschvlegel geklopt, met de wan gezuiverd, onder den molensteen stukgewreven, en in de hitte van den oven gehard is. Wilt ge, als druiventrossen zijn ze aan de opgaande ranken, maar die afgesneden en uitgeperst moeten, eer de geurige wijn vlieten kan. Een kudde slachtschapen, waartoe ieder zich opmaakt om de wol er af te scheren en soms, om te zekerder te gaan, het vel er bij afstroopt. De moed van een leeuw moet met den stilstand van het lam in hun hart gepaard liggen. Altijd gejaagden! Nooit van het kruis verschoonden. Ja, zij zijn wel die verdrukten, die door onweder voortgedrevenen en ongetroosten, in wier bitter kruis, door zijn volheerlijk kruis, de Man van smarte triomfeert.

Dit „kruis" nu bestaat volstrekt niet enkel m school of kerk, in schandbord of smaadschrift, noch ook in tegenspoed en weêrwarigheid des levens. Dat „kruis" omvat al, niet wat u, maar wat uw geloof in den weg treedt. Het is op te nemen bij elke ontmoeting met wat het ook zij, waardoor uw geloof bestreden, bedreigd, verzwakt, in zijn werking belemmerd wordt. Dat „kruis" kan dus liggen in een „zwakheid des lichaams"; dat kruis kan „een doorn in het vleesch" zijn; maarevenzeer de smart die ge om Gods Kerke draagt; het mislukken van uw goed bedoelde plannen; een anders gaan van de dingen, dan ge gehoopt hadt; en veel meer, en veel gewisser nog de zonde, die u uit anderen tegemoet komt; en het ergste van alles nog de zonde, die als een scherpe doorn uit uw ziel steekt en waar ge u telkens aan wondt.

En nu tegenover dat veelvormig „kruis" is er kracht voor uw geloof om te triomfeeren, indien Christus u lijdzaam maakt.

Want zie, ook bij de „lijdzaamheid" is het zoo ten volle waar: „Tot Lo ammi zegt Hij: Gij zijt mijn volk!" D. w. z. indien ge u gaat inbeelden: „Tegen al dit mijn kruis in, moet ik nu lijdzaam zijn; het zal wel een ongelooflijke inspanning kosten, maar ik zal het dan toch beproeven; en zie, zoo al niet alles, niet opeens, niet volmaaktelijk, — allengs, naar mijne kracht, zal ik de deugd der lijdzaamheid dan toch in praktijk brengen", — dan, mijn broeder, geloof het toch, dan zijt ge weg; want dan van tweeën een: dan laat de Heere of dat eigenmachtig pogen, en dit is u nog zeer verre het beste, met opzet mislukken, óf wel, en dit kan u doodelijk zijn, dan brengt ge het in het zweet uwer ziele tot eenige schriele, verkankerde vrucht der lijdzaamheid, maar meent 't dan ook zelf te hebben gedaan en perst zoo uit uw eigen lijdzaamheid voor uw arme ziel een gif.

Sluiten