Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan, en geeft ons zelfs een voorschrift hoe hij wil dat het vasten door ons zal beoefend worden.

„En wanneer gij vast, zoo toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hunne aangezichten, opdat zij van de menschen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, ik zeg u dat zij hunnen loon weg hebben.

„Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd en wascht uw aangezicht, opdat het van de menschen niet gezien worde, als gij vast, maar van uwen Vader die in het verborgen is" (Matth. 6:16 env.).

3. Ten derde legge men er den nadruk op, dat Jezus uitdrukkelijk en in de stelligste bewoordingen het vasten voor een daad des geloofs verklaard heeft, waaraan God uit genade een loon wil schenken.

Immers in Matth. 6 : 18 zegt de Heere ons met zoo vele woorden: „Als gij vast, vast zóó dat het niet van de menschen gezien worde, maar van uwen Vader die in het verborgen is, dan zal uw Vader, die in het verborgen ziet, het u in het openbaar vergelden."

4. Ten vierde heeft Jezus het vasten aanbevolen als het vaak eenig afdoende wapen in den strijd met de machten van Satan.

„Dit geslacht vaart niet uit dan door vasten en bidden" (Matth. 17": 21). Of gelijk de lezing nog sterker bij Marcus luidt: „Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door vasten en bidden" (Mare. 9 : 29).

5. En eindelijk, heeft Jezus van zijne discipelen verklaard, dat ze zich van vasten onthielden, gedurende zijn verblijf met hem, maar dat zij vasten zouden na zijn heengaan.

„Kunt gij de bruiloftskinderen doen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is ? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn: dan zullen zij vasten in die dagen" (Luc. 5 : 34 en 35).

Resumeerend vinden we derhalve, 1. dat Jezus zelf gevast heeft ; 2. dat hij de wijze van vasten geregeld heeft; 3. als een daad, die vergelding bij God verwerft en die derhalve Gode welgevallig is, heeft voorgesteld; 4. het vasten in den strijd tegen den Satan heeft aanbevolen; en 5. als geestelijke levensuiting van zijn Kerk, na zijn heengaan, heeft geprofeteerd.

Die profetie is door de houding der eerste kerk, blijkens de Apostolische schriften, niet gelogenstraft.

In het korte boek der Handelingen wordt ons niet minder dan drie malen van een vasten der discipelen van Jezus bericht, steeds in goedkeurenden zin, als practijk der godzaligheid.

a. In Hand. 13 : 2 van de gemeente in Antiochië, dat zij vastten en baden, en dat in dien tijd des vastens de Heilige Geest aan de opzieners der gemeente een buitengewone openbaring schonk.

„En als zij den Heere dienden en vastten, zeide de Heilige Geest: „Zondert mij af beiden Barnabas en Saulus."

b. In Hand. 13 : 3. Na het bevel tot afzondering van Paulus en

Sluiten