Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij volksrampen, bij de uitbreking van verkeerdheden in de Kerk, ook bij de beroeping van een predikant, werd zelfs een algemeen

vasten uitgeschreven.

Van den naam „bededag" is de bijvoeging vast- en bededagen bijna onafscheidelijk; ze vloeit er nog op ieders lippen meê saam.

Thans daarentegen is het zoo ver gekomen, dat op hoogst enkele uitzonderingen na niemand het vasten meer uit eigen beoefening kent; het bijna niemand meer heugt, dat hij 't zijn vader of moeder zag doen; en zelfs in de benardste oogenblikken niemand het denkbeeld invalt, om weêr op 't voetspoor onzer vaderen tot een vast- en bededag, in steê van tot kerkelijk gewoel, onze toevlucht te nemen.

Als in de oudste kerk der gereformeerden een twist onder de broederen uitbrak, schortte men de bediening van het heilige Avondmaal des Heeren op totdat de broederen weêr verzoend waren en hield inmiddels vast- en bededagen als middel ter verootmoediging.

Thans kibbelt men voort over de vraag aan wie de schuld ligt, en gaat voorts onverzoend zijns weegs, onverzoend soms zelfs zijn weg naaT de tafel des Heeren.

Staat onze aan het vasten ontwende tijd daarom geestelijk zooveel hooger dan die onzer vaderen, die het vasten nog beoefenden -

Wat oordeelden onze vaderen er van? Ziehier Calvijns oordeel:

„Een heilig en behoorlijk vasten heeft drie einden: want wij gebruiken het om ons vleesch te temmen en te kastijden, opdat het niet te dartel zij, of om bekwamer tot gebeden en heilige gedachten te zijn, of opdat het zij een getuigenis onzer vernedering voor God, als wij willen onze schuld voor God belijden. Het eerste einde heeft zelden plaats in eenen algemeenen vastendag, omdat aller menschen lichamen niet eenszins gesteld zijn, daarom betaamt het beter sommiger menschen vasten. Het tweede einde dient allen in het gemeen en ook eenen iegelijken bizonder: want het is zoowel der gansche gemeente noodig, dat zij zichzelve tot gebeden bereide, als een iegelijk

geloovige. .

„En het derde einde ook desgelijks: want het geschiedt somtijds dat' God een volk slaat met krijg of pest, of eenige ellende. In zulke algemeene straf moet het gansche volk zijn schuld bekennen. En is het dat de hand des Heeren iemanc bizonder slaat, die moet ditzelve alleen of met zijn huisgezin doen. Dit is voornamelijk gelegen in de gezindheid des harten, \\ant als de geest en het hart gezind is gelijk het betaamt, zoo kan het nauwelijks wezen zonder een uitwendig getuigenis te geven: en dit dan allermeest, als het geschiedt tot gemeene stichting, opdat zij, al hun zonde openbaarlijk belijdende, Gode den lof der rechtvaardigheid geven en elkander onderling een iegelijk door zijn exempel vermanen."

Sluiten