Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichzelven te verwekken, opdat zij door hun overgroote zorgeloosheid en onachtzaamheid God niet meer en meer tergen, als zij van Hem gekastijd worden. Daarom als Christus zijne apostelen ontsehuldigt dat zij niet vasten, zoo zegt hij niet dat het vasten zij ganschelijk weggenomen: maar stelt het uit tot ellendige en droevige tijden. De tijd zal (zegt hij) komen, dat de Bruidegom zal van hen weggenomen worden."

Het vasten zelf regelt Calvijn in dezer voege:

„Daar is een tijdelijk vasten, te weten als wij uit de gewone wijze van leven onszelven iets onttrekken, hetzij voor eenen dag, of voor een zekeren tijd, en onszelven een strenger en nauwer mate in spijs en drank gebieden dan wij gewoon zijn. En dit is gelegen in drie dingen, te weten: in den tijd, in de qualiteit of hoedanigheid en in de mate der spijs. Bij den tijd versta ik, dat wij nuchter die werken volbrengen, om dewelken wij voornemen te vasten. Gelijk als iemand vast om des gemeenen gebeds wil, die blijft zonder eten totdat het geëindigd is. De qualiteit of hoedanigheid is daarin gelegen dat wij, alle lekkere spijs vermijdende en met slechte spijs tevreden zijnde, de keel niet verwekken. De mate is daarin gelegen dat wij gespariglijker en minder eten dan wij gewoon zijn: en alleen tegen den nood en niet tot lust."

Zijn waarschuwing tegen misbruik eindelijk betreft een viervoudig gevaar: 1. het vasten met den mond zonder vasten in het hart; 2. dat men in het vasten op zichzelf iets verdienstelijks zoeke; 3. dat men het vasten overdrijve; en 4. dat men het gemis van enkele spijze door het gebruik van nog geuriger spijze vergoede:

„1. Het voornaamste is, dat zij altijd drijven dat Joel leert, te weten dat men moet het hart en niet de kleeren scheuren; d. i., dat zij het volk vermanen, dat het vasten in zichzelven niet zeer groot bij God geacht wordt, tenzij dat de inwendige beweging en gezindheid des harten, een waarachtig mishagen der zonde, en zijn zelfs waarachtige verootmoediging en waarachtige smart uit de vreeze Gods daarbij zij. Ja dat het vasten om geen andere oorzaak nut is, dan omdat het tot deze dingen een behulpsel is.

„2. Boven desen moet men noch een ander quaet dat ten desen seer na is, grootelic schouwen, te weten: dat wy niet en achten dat het vasten sy een Godsdienst ofte een werck, dat de ghenade Gods soude verdienen. Want dewyle het in hemselven noch goet noch quaet en is, en niet vorderlic en is, anders dan tot die eynden, dewelke men daer in moet aensien, so ist een zeer schadelicke superstitie, dat men vermengt met de wercken, die God geboden heeft, ende die in haar selven sonder eenich ander aensien noodich syn.

„3. De derde dwalinge en is niet so Godloos, maer is nochtans sorgelick, te weten, dat men het vasten te strengelic eyscht, als een uit de voornaemste Godlicke wercken, ende dat men 't met onma-

Sluiten