Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

binnenzijde is, de verborgen, innerlijke kracht der dingen, kortom het Koninkrijk Gods, waarin God Koning is en uw ik verloochend wierd, Gods Koninkrijk en het recht, de gerechtigheid van dat Koninkrijk, wat daarin thuis hoort, met den aard er van overeenkomstig is. Doe zoo niet alleen in de oefeningen uwer godzaligheid, niet enkel in oogenblikken van gebed en meditatie, maar aldoor, in elke betrekking, bij elk voorval dat u overkomt en elke taak, die u is opgelegd — en neem er de proef eens van, of Jezus' woord niet uitkomt! Niet uitkomt, iu dien zin dat uw arbeidsvermogen in dezen stillen liefdedienst verhoogd, dat ge meer doende minder moede wordt, loopt en toch niet mat wordt, en nochtans geens dings gebrek hebt! Ja niet uitkomt, in dien heerlijken zin, dat ge niet slechts aan uw arbeid lust en op uw tafel overvloed hebt, maar voor de kwellende zorge van weleer een zalige kalmte in het wachten 'op Gods Vaderhand u voelt doorstroomen.

Zulk een leven had Israël in de woestijn, toen de Heere „honigbeken deed uit de rotsen vloeien", de kwakkelen nederstreken, het water aan de steenrots ontsprong, het manna eiken morgen nieuw was, en de kleederen om hun schouders niet verteerden en het schoeisel onder hun voet niet verouderde.

Dat onbezorgd kinderleven door Israël in de woestijn genoten, was een terugbrengen, althans op zekeren afstand, van het onbezorgd weeldeleven den eersten menschen in het 1'aradijs geboden.

Elia genoot er een voorsmaak van, toen een engel des Heeren hem spijsde.

De weduwe van Zarphat werd door een maehtwonder des Heeren voor korte dagen in dat heerlijk leven der ruste geleid, toen de olie in de kruik niet ophield en het meel in het vat niet verteerde.

Onze Heiland beeldde dat reine, onbezorgde leven voor de vier en vijf duizend af, toen hij ze deed nederzitten in de vallei en ze spijsde met brood, dat zich vermenigvuldigde, of ook toen hij op Kana's bruiloft het water vloeien deed als wijn, of eindelijk de zee gebood, dat ze netten vulde met de visch, die zich op haar bodem verdrong.

Eens zal dat schier te heerlijk leven in vollen luister ons toestralen, als de Heere een vetten maaltijd zal aanrichten vol mergs en ongemengden wijn.

Zie, de Opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, ze heeft haar pilaren gehouwen, zij heeft haar slachtvee geslacht, zij heeft haren wijn gemengd, ook heeft zij hare tafel toegericht, en zij noodt van de tinnen der stad.

In uw bezorgdheid, zoolang ge zelf om spijs bekommerd zijt, is óf uw buik uw God, om het weenende met den apostel te zeggen, óf eet ge ver van de voorraadschuren in uw verlatenheid het draf der zwijnen.

Sluiten